0

publicatie: Richtlijn Houten paalfunderingen onder gebouwen

1. Inleiding

1. Inleiding

1.1 Doelstelling

Deze richtlijn heeft tot doel de uniformiteit en objectiviteit van het onderzoek aan houten paalfunderingen onder bebouwing te waarborgen. Hiermee wordt ook de uniformiteit van kwaliteitsbeoordeling en toetsing van houten paalfunderingen in Nederland vergroot. Hiertoe zijn beschikbare technieken beschreven voor het uitvoeren van funderingsonderzoek aan gebouwen met een houten paalfundering en zijn criteria gegeven om tot eenduidige benamingen van waarnemingen te komen. Door deskundige weging van de onderzoeksonderdelen kan tot een kwaliteitsbeoordeling van de funderingsconstructie worden gekomen. Aangegeven wordt hoe een vertaling gemaakt kan worden naar de funderingstechnische handhavingstermijn.

Houten paalfunderingen zijn vaak ruim voor de huidige regelgeving gerealiseerd. De huidige regelgeving is ongeschikt om als beoordelingsgrondslag voor de oude constructies te gebruiken. Daarom wordt een van de huidige regelgeving afwijkende systematiek gegeven om tot een funderingstechnische handhavingstermijn te komen.

Toelichting op doelstelling

Voor het beoordelen van het functioneren van een oude houten paalfundering is informatie nodig die soms moeilijk te verkrijgen en lastig te interpreteren is. Deze richtlijn geeft eenduidige benamingen voor de waarnemingen van de verschillende onderzoeksonderdelen.

Met gebruik van de onderzoeksonderdelen kan een objectieve analyse worden uitgevoerd om tot een beoordeling van een houten fundering te komen. Een deel van de informatie is direct toetsbaar aan geldende normen. Een ander deel echter niet omdat deze funderingsconstructies aangelegd zijn in een periode dat er nog geen regelgeving en toetsing bestond. Op basis van het Bouwbesluit 2012 voldoet een houten paalfundering vaak niet en een beoordeling volgens het Bouwbesluit leidt dan te snel tot afkeuring, terwijl uit ervaring is gebleken dat in goede staat verkerende houten paalfunderingen een aanzienlijke handhavingstermijn hebben. De theorie van het Bouwbesluit is hierdoor niet goed bruikbaar in de praktijk van houten paalfunderingen. Belangrijke oorzaken voor de te negatieve toetsing bij gebruik van het Bouwbesluit zijn:

  • Houten paalfunderingen van vóór 1950 zijn empirisch ontworpen. Er werden nog geen sonderingen uitgevoerd en geotechnische berekeningen van de draagkracht gemaakt. De benodigde paallengte werd vastgesteld door middel van proefheien, dat wil zeggen kalenderen / op stuit heien. Vaak werd de eindkalendering, zakking in cm bij 30 slagen, bepaald met een Hollandse heiformule. Er werden geen proefbelastingen uitgevoerd.
  • Er werd vroeger geen rekening gehouden met het optreden van negatieve kleefbelasting. Pas vanaf de jaren 50 van de vorige eeuw is men begonnen met het toekennen van een geschatte negatieve kleefbelasting.
  • De gebrekkige rekenkundige onderbouwing heeft tot gevolg dat houten paalfunderingen vaak doorgaande zakking vertonen, hetgeen moeilijk verenigbaar is met de huidige normen. Bij invoering van nieuwe normen is om normalisatieredenen vaak de sterkte van een houten paalfundering rekentechnisch verlaagd. Bij de invoering van de geotechnische normen in 1991 (NEN 6740, NEN 6743 en NEN 6744) verdwijnt voor de draagkrachtberekening het verschil bij de partiële onzekerheidsfactor voor hout (1,25) en andere materialen (1,4) zoals dit daarvoor werd gehanteerd door de RFG. Hierdoor werd de berekende draagkracht van houten palen 11% lager. Bij de omzetting van de NEN 6760 naar Eurocode 5 verandert de modificatiefactor van 0,6 naar 0,5 en de materiaalfactor van 1,2 naar 1,3 waardoor de rekenwaarde 25% lager werd.

In 2003 is in opdracht van VROM door een aantal branchepartijen een protocol voor de uitvoering van een funderingsinspectie opgesteld. De uitvoering van een funderingsinspectie is vaak een onderdeel van een funderingsonderzoek. In verband met een eenduidige en complete omschrijving in deze richtlijn is de inhoud van het protocol uit 2003 in deze richtlijn geïntegreerd en geactualiseerd naar de laatste stand van de kennis.

1.2 Gebruik van de richtlijn

In hoofdstuk 2 van deze richtlijn zijn alle onderdelen van een funderingsonderzoek uitgewerkt. Per onderdeel is aangegeven hoe het moet worden uitgevoerd, hoe over het onderdeel dient te worden gerapporteerd en welke benamingen daarbij gebruikt moeten worden. Door deze aanpak is uniformiteit en standaardisatie van terminologie op de onderzoeksonderdelen georganiseerd. Deze richtlijn kan niet voorzien in een voorschrift voor een onderzoeksopzet. De opzet van een onderzoek zal afhangen van de vraagstelling en kan daarom alleen worden opgesteld door ter zake deskundige adviseurs.

De beoordeling van een fundering op basis van deze richtlijn geeft de mogelijkheid om een handhavingstermijn voor de funderingsconstructie op te geven.

Tijdens het onderzoek kan blijken dat van het onderzoeksprogramma moet worden afgeweken gezien de aangetroffen situatie. In de rapportage van het onderzoek dient dan goed gemotiveerd te worden waarom onderzoeksonderdelen niet zijn uitgevoerd en welke gevolgen dit heeft voor de reikwijdte van de conclusies.

Een aparte opmerking betreft monitoring van zakkingen. Met name in beheer- en prioriterings- vraagstukken wordt veel gebruik gemaakt van het regelmatig meten van zakkingen van bebouwing. Op basis van dit type meting (zie paragraaf 2.4.2 van deze richtlijn) kunnen beslissingen over nader onderzoek of aanpak van funderingsherstel worden genomen. Binnen deze richtlijn is dit te zien als een specifieke onderzoeksopzet gericht op het ondersteunen van beslissingen over de aanpak.