0

publicatie: Schade aan gebouwen

Voorwoord bij de eerste uitgave

Voorwoord bij de eerste uitgave

Zwaar verkeer, heiwerkzaamheden, machines, enzovoort kunnen aanleiding geven tot trillingen in gebouwen. Deze trillingen kunnen op hun beurt leiden tot hinder, schade of storing aan apparatuur. Waar dit optreedt komen partijen met verschillende belangen tegenover elkaar te staan. In die situaties is het zinvol de omvang van de problemen objectief te kunnen vaststellen en criteria te hebben voor wat dan wel en niet-acceptabel is. Het vaststellen van de omvang van een trillingsprobleem kan in beginsel door een meting. Nu kunnen metingen op verschillende manieren worden uitgevoerd en de uitkomst is bepaald niet ongevoelig voor de keuze van de plaats van de opnemer, de karakteristiek van de opnemer, de signaalverwerking, de duur van de meting, enzovoort. Nog gevoeliger ligt de beoordeling: wanneer is er hinder, wanneer is er (kans op) schade. Om tegemoet te komen aan de wens tot objectivering is door CUR en SBR gezamenlijk een onderzoek gestart in 1989. Dit onderzoek resulteerde in een verkennend rapport (SBR-F36, Trillingshinder in de bebouwde omgeving) en een aanbeveling om richtlijnen voor trillingsmetingen op te stellen. De uitvoering van deze aanbeveling is in SBR-verband gedaan. Verder werd aanbevolen de kennis op het gebied van trillingsprognose te vergroten. Deze aanbeveling heeft inmiddels geresulteerd in het instellen van CUR-commissie D11 Trillingshinder in bebouwde omgeving.

De voor u liggende publicatie is één van de in SBR-verband tot stand gekomen richtlijnen. In totaal betreft dit een serie van drie documenten: één voor schade aan gebouwen, één voor hinder voor personen en één voor storing aan apparatuur (respectievelijk de SBR-meet- en beoordelingsrichtlijnen 1,2 en 3).

Zoals gebruikelijk bij normeringwerk was het bij de totstandkoming regelmatig nodig te kiezen uit verschillende mogelijkheden die geen van alle volledig goed of fout genoemd konden worden. Sommige keuzen zijn duidelijk arbitrair en zullen niet voor alle gevallen optimaal zijn. Als algemeen principe heeft de verantwoordelijke begeleidingscommissie zich laten leiden door de gedachte dat de richtlijnen een algemeen bruikbaar karakter dienen te hebben. Tal van bijzondere overwegingen die in een concrete situatie kunnen meespelen, laten zich moeilijk normeren. In de richtlijn voor schade aan bouwwerken staat daarom bijvoorbeeld centraal: een uitgebreide meting met opnemers die een groot meetbereik hebben. Op verschillende plaatsen in de richtlijn wordt echter de mogelijkheid geopend om eenvoudiger (en dus goedkoper) te werk te gaan. Er rust dan echter een plicht op de metende instantie aan te tonen dat toch de gewenste kwaliteit wordt bereikt. Dergelijke eenvoudige metingen vereisen in de gedachtegang van de commissie dus extra deskundigheid.

In de richtlijn hinder voor personen worden streefwaarden en dus geen grenswaarden gegeven, waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat normaal gesproken geen hinder optreedt. Nu is de commissie van mening dat hinder niet per definitie onaanvaardbaar hoeft te zijn. Er bestaat ook acceptabele hinder. Tegenover hinder staan ook altijd andere belangen: vervoer, productie, enzovoort. Zeker als het gaat om korte perioden moeten daarbij de belangen zorgvuldig worden afgewogen. Bovendien kunnen er diverse vormen van gewenning optreden.

Onderzoek naar de beleving en de daarmee gepaard gaande acceptatie van trillingen staat nog in de kinderschoenen. De commissie is om die reden ook terughoudend. Er worden op dit gebied globale suggesties gedaan. Wel doet de commissie de uitdrukkelijke aanbeveling bij overschrijding van de streefwaarden naar oplossingen te zoeken en in ieder geval met alle betrokken partijen in overleg te treden. Het is verstandig er in dit verband ook nog op te wijzen dat bij zware kortdurende trillingen veel hinder in wezen voortspruit uit angst voor schade aan gebouwen. Deskundigen weten dat dit meestal zo’n vaart niet loopt, maar in het overleg tussen de veroorzakers en gedupeerden van trillingen kan het vaak een grote rol spelen. Als de ongerustheid op dit punt wordt weggenomen is vaak veel gewonnen.

De richtlijn voor storing aan (gevoelige) apparatuur wijkt qua karakter af van de andere twee. Het punt is, dat geen echte grenswaarden aangegeven kunnen worden: deze moeten worden aangegeven door de fabrikant van de apparatuur. Een probleem is echter dat de fabrikant dat meestal niet doet op een manier die geschikt is om de gevoeligheid van de apparatuur tegen bijvoorbeeld verkeers- of heitrillingen te beoordelen.
De leidraad geeft adviezen hoe in deze gevallen het beste kan worden gehandeld. Gehoopt wordt dat met het verschijnen van deze leidraad de specificaties van de fabrikanten in de toekomst zullen verbeteren.

In aanvulling op de drie richtlijnen zijn door betrokken instituten ook nog werkdocumenten opgesteld.
Deze bevatten veel relevante informatie en literatuurverwijzingen. Het raadplegen van deze rapporten kan erg nuttig zijn. In CUR-verband wordt momenteel aan de theoretische onderbouwing van de modellen gewerkt.

Tijdens de kritiekronde is vaak het oordeel uitgesproken dat de richtlijnen moeilijk leesbaar zijn. De commissie is het hiermee niet oneens: het lezen van de richtlijnen vraagt inderdaad een zekere deskundigheid en zelfs de deskundige lezer heeft dan nog enige tijd nodig om alle facetten volledig tot zich te laten doordringen.

De mening van de commissie hierover was echter dat de richtlijn ook voor de deskundige is bedoeld en dat de tijd die hij moet uittrekken voor bestudering goed is besteed. Veel van de voorgestelde vereenvoudigingen zouden het algemene karakter geweld aan doen. Wel is naar aanleiding van deze kritiek voor de delen schade en hinder een samenvatting van een los blad per richtlijn opgesteld, met daarop de meest essentiële en vaak te gebruiken informatie. SBR heeft voorts het voornemen een brochure uit te geven teneinde de implementatie en het gebruik van de richtlijnen te bevorderen.