0

publicatie: Schade aan gebouwen

Voorwoord bij de tweede uitgave (augustus 2002)

Voorwoord bij de tweede uitgave (augustus 2002)

Bij de eerste uitgave is gesteld dat het nuttig zou zijn na enkele jaren na te gaan hoe het gebruik van de richtlijn in de praktijk bevalt en op grond van die ervaringen de richtlijn aan te passen. Inmiddels is deze actie uitgevoerd en is de tweede uitgave gereed. De aanpassingen zijn gebaseerd op de meningen van de gebruikers die gepeild zijn via een enquête en op nieuwe inzichten die via een literatuuronderzoek zijn gebleken. Een achtergrondrapport daarover is beschikbaar en via SBR te verkrijgen.

De commissie heeft de indruk dat de richtlijn veelvuldig wordt gebruikt. Ook in gevallen waarbij uiteindelijk de rechter werd ingeschakeld om een uitspraak te doen speelde de richtlijn vaak een belangrijke rol. Ook de Raad van State baseert zich bij zijn oordeelsvorming deels op de richtlijnen.

Naast een aantal redactionele en kleine technische verbeteringen en het toevoegen van enkele voorbeelden heeft de commissie lang stil gestaan bij de formuleringen van de streefwaarden voor hinder en met name de verschillen tussen bestaande en nieuwe situaties.
Deze verschillen zijn minder eenvoudig en duidelijk dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Voor de beoordeling op schade is de indicatieve meting toegevoegd. Daarnaast is de splitsing van schade aan draagconstructie en aan overige onderdelen verwijderd. Ten slotte is een statistische verwerking van de meetresultaten mogelijk gemaakt. Met name als er weinig of op uiterst eenvoudige wijze wordt gemeten kan dit leiden tot relatief strenge eisen. In de ogen van de commissie is dit de prijs die men betaalt voor de eenvoud van de meting. Men moet er dan rekening mee houden dat de werkelijke situatie ongunstig kan afwijken van wat men meet. Als men ver van de grenswaarden afzit is dat echter geen bezwaar en heeft men via de indicatieve meting een goedkoop instrument.
De nauwkeurige en uitvoerige meting is dan alleen nodig als er werkelijk aanleiding toe is.

In de richtlijn voor hinder zijn ten opzichte van de vorige keer de streefwaarden van A2 verhoogd. Een en ander is gebaseerd op nieuwe inzichten in de relatie tussen trillingen en hinder. De aandacht wordt in dit verband gevestigd op Bijlage 5 in de betreffende richtlijn.

Een belangrijk uitgangspunt is gebleven dat de richtlijn uitsluitend aangeeft wanneer er met redelijke kans hinder of schade te verwachten valt. De veiligheidsmarge is ten opzichte van de voorgaande uitgave echter meer expliciet gemaakt door middel van partiële veiligheidsfactoren. De richtlijn doet nadrukkelijk geen uitspraak over welke maatregelen dan genomen moeten worden of wie in een bepaald geval verantwoordelijk gesteld zou moeten worden. Een hoog trillingsniveau in een bepaald gebouw kan het gevolg zijn van een te sterke bron maar evenzeer van een ongunstige grondopbouw of een trillingsgevoelige constructie. De technische en juridische implicaties kunnen in al deze gevallen verschillend zijn.

Een extra complicatie vormt ook weer de tegenstelling ‘bestaand’ versus ‘nieuw’. Bij een bestaande bron is het redelijk er geen nieuwbouwwoningen dicht bij in de buurt te bouwen, maar omgekeerd kan een bestaande bron natuurlijk ook niet voor altijd een groot gebied onbruikbaar laten. Bij een bestaand woongebouw moet er niet direct naast een bron komen, maar omgekeerd kan men natuurlijk ook niet omwille van een toevallig uiterst trillingsgevoelig woongebouw in de wijde omtrek alle trillingsopwekkende activiteiten verbieden. We verlaten dan echter het terrein van de techniek en betreden het terrein van de rechtspraak. De richtlijn geeft alleen aan of dan in redelijkheid van schade of hinder door trillingen gesproken kan worden.

De beoordelingsnorm in deze richtlijn gaat uit van de situatie dat er een meting is uitgevoerd. De onnauwkeurigheden van de meting bij de verschillende meetprocedures zijn daarin verdisconteerd. Men kan de richtlijn uiteraard ook gebruiken in combinatie met een berekening waarmee bijvoorbeeld het effect van een mitigerende maatregel wordt geschat. Uiteraard moet men zich dan bedenken dat de berekening ook onnauwkeurigheden kan bevatten, vaak zelfs in de orde van een factor 2 of 3. Men doet er verstandig aan daar een marge voor aan te houden. Het is van belang daarbij te beseffen dat uiteindelijk de meetwaarde in de praktijk bepalend zal zijn voor het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van hinder en niet het resultaat zoals voorspeld met de berekening.

Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van Adviesburo A. Harder B.V. en NS Railinfrabeheer.

De commissie die verantwoordelijk was voor deze tweede uitgave was als volgt samengesteld:

prof. ir. A.C.W.M. Vrouwenvelder, voorzitter
TNO Bouw, Rijswijk

dr. ir. P.H. Waarts, rapporteur
TNO Bouw, Rijswijk

C.J. Ostendorf, rapporteur
Cauberg-Huygen, Maastricht

ir. R. C. Dorgelo, projectmanager
SBR, Rotterdam

prof. ir. J.J.M. Cauberg
Cauberg-Huygen, Maastricht

ing. R. Degenhart
AEA Technology Rail B.V., Utrecht

ir. H.R.E. Dekker
CUR/COB, Gouda

ir. L.A.M. Groenewegen
HBG Civiel, Gouda

dr. ir. P. Hölscher
GeoDelft, Delft

ir. J.A. Huizer
Adviesbureau Peutz, Zoetermeer

ir. E.C. Klaver
DHV Milieu en Infrastructuur BV, Amersfoort

J.A. Licht
IBM, Diemen

B. Obladen
T & E Consult, Utrecht

ir. A.J. Snethlage
FUGRO Ingenieursbureau BV, Leidschendam

ir. J. Vyncke
WTCB, Brussel

ir. P.A. van Wijngaarden
Railinfrabeheer, Utrecht

Y.K. Wynia
WNP, Groningen

Alle leden worden bedankt voor hun inzet en samenwerking.

De commissie hoopt dat deze tweede uitgave evenals zijn voorganger in de praktijk veelvuldig gebruikt zal worden en houdt zich aanbevolen voor suggesties voor verbetering.

prof. ir. A.C.W.M. Vrouwenvelder
Voorzitter