0

publicatie: Thermisch Binnenklimaat Utiliteitsbouw

1 Inleiding

1 Inleiding

Een groot aantal factoren kan de kwaliteit van het binnenmilieu in gebouwen beïnvloeden. De belangrijkste zijn: luchtkwaliteit, thermisch binnenklimaat, geluid, licht en straling (elektromagnetische velden).
In dit cahier wordt het thema thermisch binnenklimaat behandeld, en dan met name het thermisch binnenklimaat in kantoren, scholen, gezondheidszorggebouwen en andere niet-industriële utiliteitsbouw.

Zowel het Bouwbesluit als de arboregelgeving stelt eisen aan de thermische behaaglijkheid in gebouwen, direct (bijvoorbeeld maximaal toelaatbare luchtsnelheid binnen), en indirect (bijvoorbeeld isolatie van de uitwendige scheidingsconstructie). Merk op het hier om publiekrechtelijke minimum-eisen gaat.

Klachten over het thermisch binnenklimaat komen nog vaak voor. Zo bleek bijvoorbeeld in 1990, bij een onderzoek in 69 random geselecteerde kantoorgebouwen, dat meer dan de helft van de kantoorwerkers (vaak) klachten over het thermisch binnenklimaat had. Zie tabel 2.

Tabel 2
Thermisch binnenklimaat in Nederlandse kantoorgebouwen: gemiddelde klachtenpercentages. Bron: Zweers et al, 1992

klachtenpercentage
algemene thermische klachten 55%
’s zomers te warm 35%
’s zomers te koud 8%
’s winters te warm 22%
’s winters te koud 14%
tocht 27%
wisselende temperaturen 35%

In dit cahier worden vijf binnenklimaatwerkbladen gepresenteerd. De werkbladen zijn bedoeld om snel informatie te verkrijgen over de diverse binnenklimaatthema’s.
Deze informatie kan dienen als motivatie voor het stellen van prioriteiten bij het ontwerpen, onderzoeken of aanpassen van gebouwen. Bovendien kan de informatie mensen motiveren extra investeringen te doen ter verbetering van gebouwen.

De informatie is zeer beknopt. Uitgebreidere informatie is te vinden in de geraadpleegde literatuur. Zie de literatuurlijst achter in het cahier.

1.1 Binnenklimaatfactoren

Het thermisch binnenklimaat is te onder te verdelen in vijf factoren:

  1. algemene thermische behaaglijkheid (‘het warm of koud vinden’);
  2. tocht;
  3. vertikaal temperatuur verschil (hinderlijk groot verschil tussen luchttemperatuur op hoofdhoogte en enkelhoogte);
  4. stralingstemperatuur asymmetrie (hinderlijke ‘warmte- of koudestraling’);
  5. warme en koude vloeren (hinderlijk ‘warme of koude voeten’).

De laatste vier factoren tezamen worden ook wel ‘lokale’ of ‘plaatselijke’ thermische behaaglijkheid genoemd.
Het betreft hier namelijk hinder door afkoeling of opwarming van een deel van het lichaam.

1.2 Opbouw van de werkbladen

Ieder werkblad bestaat uit verschillende onderdelen:

  1. Een korte omschrijving van de desbetreffende binnenklimaatfactor.
  2. Oorzaken van klachten ten gevolge van de behandelde binnenklimaatfactor.
  3. Normaal voorkomende waarden (bijvoorbeeld temperatuur, luchtsnelheden) in utiliteitsbouw.
  4. Effecten op het welbevinden en de gezondheid.
  5. Relevante normen.
  6. Wetgeving: verwijzing naar wettelijke eisen uit het Bouwbesluit en de arboregelgeving. Merk op dat voor het Bouwbesluit steeds de nieuwbouweisen genoemd zijn; strikt genomen gelden deze alleen als er sprake is van nieuwbouw. De auteurs zijn echter van mening dat de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit in bestaande situaties met binnenklimaatproblemen ook ‘richtinggevend’ dienen te zijn.
  7. Mogelijke maatregelen van technische en bouwkundige aard. Waar mogelijk is een onderscheid gemaakt in maatregelen voor nieuwbouw en bestaande bouw. Het zal duidelijk zijn dat een aantal maatregelen moeilijk of zelfs niet toepasbaar is in bestaande bouw.

1.3 Drie kwaliteitsklassen

Veelal neemt men aan dat het simpelweg voldoen aan ‘de’ wettelijke eisen op binnenmilieugebied (Bouwbesluit, Arbobesluit) voldoende garantie is voor een goed binnenmilieu. Dit is echter een misverstand. Aan de minimumeisen voldoen betekent dat de kans op ernstige hinder beperkt is, maar een garantie voor algemene tevredenheid of een comfortabele werkomgeving is het niet.
De wettelijke eisen moeten gezien worden als een minimum waaraan in elk geval voldaan dient te worden. Wanneer echter kwaliteit gewenst is, zal men hoger moeten inzetten. Vandaar dat de binnenmilieu-eisen in dit document in drie klassen worden gepresenteerd, waarbij de laagste klasse, klasse C, ongeveer overeenkomt met het wettelijk minimumniveau.

De drie klassen worden als volgt gekwalificeerd (onderverdeling gebaseerd op ISSO/SBR 354 en NPR CR 1752):

  1. klasse A: ‘zeer goed’:
    hoog verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu;
  2. klasse B: ‘goed’:
    gemiddeld verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu;
  3. klasse C: ‘minder goed’ (ca. wettelijk minimumniveau):
    matig verwachtingspatroon ten aanzien van de kwaliteit van het binnenmilieu.

Merk op dat er indirect ook een ‘restklasse’ is gedefinieerd, die we voor het gemak klasse D noemen. Deze klasse komt erop neer dat niet aan de slechtste eisen wordt voldaan, dus slechter dan klasse C. Dit is met name relevant in bestaande, oudere gebouwen.

1.4 Welke klasse, wanneer?

Afhankelijk van het gewenste kwaliteitsniveau, de ‘gevoeligheid’ en de ‘belastbaarheid’ van de gebouwgebruikers en de budgettaire randvoorwaarden, kan men per binnenmilieu-thema kiezen welke kwaliteit gewenst is: een niveau ‘zeer goed’, ‘goed’ of ‘minder goed’.
Dus men bepaalt voor bijvoorbeeld het thema luchtkwaliteit dat een klasse B kwaliteit gewenst is, voor het thema thermisch binnenklimaat een klasse A kwaliteit, voor het thema geluid/akoestiek een klasse B kwaliteit, et cetera. Dat houdt in dat voor alle sub-aspecten binnen het bewuste thema standaard de desbetreffende eisen aangehouden worden.
Dus bijvoorbeeld voor het thema thermisch binnenklimaat zal dan voor alle deel-aspecten (algemene behaaglijkheid, tocht, stralingstemperatuur asymmetrie, et cetera) de klasse A eis gehanteerd worden.

In zijn algemeenheid geldt bij nieuwbouw en ingrijpende renovaties:

  • kies in beginsel op alle binnenmilieu-aspecten voor een klasse B-kwaliteit;
  • kies op deelaspecten voor een klasse A-kwaliteit indien een aanzienlijk deel van de gebouwgebruikers een aantoonbare meerwaarde ondervindt van het verhogen van de eisen op een deelaspect (bijvoorbeeld als er sprake is van gebouwgebruikers die meer dan gemiddeld gevoelig zijn voor bijvoorbeeld hoge temperaturen of tocht);
  • kies op deelaspecten voor een klasse A-kwaliteit indien de opdrachtgever op de bewuste punten (bijvoorbeeld ten aanzien van de kans op oververhitting ’s zomers) extra kwaliteit vraagt.

In zijn algemeenheid geldt voor bestaande utiliteitsbouw (bijvoorbeeld wanneer er bepaald moet worden of extra maatregelen al dan niet nodig zijn bij klachten van gebouwgebruikers):

  • op alle aspecten dient in elk geval het klasse C-niveau gehaald te worden; wanneer de gebouwprestatie op een deelaspect in het klasse D-gebied valt, zijn maatregelen zeker nodig (er wordt immers niet aan de reguliere wettelijke eisen voldaan) en is het zeer aannemelijk dat gezondheidsklachten en hinder van gebruikers tot het relatief slechte binnenmilieu zijn te herleiden;
  • indien een aanzienlijk deel van de gebouwgebruikers thermisch gezien ‘minder belastbaar’ is (denk aan senioren) dan dient men eerder klasse B dan C als referentie(doel) aan te houden;
  • ook in relatief nieuwe gebouwen (gebouwd na 1990) en in bestaande kantoren met een relatief hoge m²-prijs dient men eerder een klasse B-niveau dan een klasse C-niveau als referentie(doel) aan te houden.

Hierbij nog de volgende opmerkingen:

  • Compensatie binnen 1 binnenmilieu-categorie (bijvoorbeeld luchtkwaliteit, thermisch binnenklimaat).
  • Binnen één gebouw kunnen natuurlijk verschillende eisen (A, B of C niveau) aan verschillende verblijfsruimten gesteld kunnen worden. Bijvoorbeeld binnen een kantoorgebouw: reguliere werkruimten die voldoen aan de klasse B eisen en concentratie-werkplekken die voldoen aan de klasse A eisen.
  • De keuze voor een niveau ‘zeer goed’ is nog geen garantie voor totale afwezigheid van klachten c.q. 100% gebruikerstevredenheid. Indien het gebruik van het gebouw afwijkt van de uitgangspunten bij het ontwerp kunnen, ten gevolge van de veranderde omstandigheden, toch klachten ontstaan.
  • Ook kunnen bij het ontstaan van gebouwgerelateerde gezondheidsklachten en bij het optreden van hinder factoren en parameters een rol spelen die niet in deze publicatie worden behandeld. In bepaalde situaties kan er sprake zijn van factoren die de gezondheid en het welzijn beïnvloeden en die niet in prestatie-eisen zijn te beschrijven. Denk dan bijvoorbeeld aan psychosociale factoren (zoals werkstress) waarvan bekend is dat ze o.a. de temperatuurbeleving kunnen beïnvloeden.