0

publicatie: Veilig vluchten uit gebouwen

1 Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regelgeving

1 Publiekrechtelijke en privaatrechtelijke regelgeving

Veiligheidsmaatregelen voor gebouwen kunnen voortkomen uit:

  • wettelijke bepalingen;
  • verzekeringen;
  • de relatie eigenaar-gebruiker.

Hieronder worden deze nader toegelicht.

1.1 Wettelijke bepalingen

1.1.1 Bouwbesluit algemeen

Voor de eisen met betrekking tot het veilig vluchten is het Bouwbesluit 2012 het belangrijkste document. Het Bouwbesluit 2012 bevat voorschriften over het bouwen en verbouwen van bouwwerken en over de minimale technische staat van bestaande bouwwerken en het gebruik van bouwwerken en terreinen. Een groot deel van het Bouwbesluit bestaat uit bouwtechnische voorschriften. Deze voorschriften hebben betrekking op de bouwtechnische kwaliteit van een gebouw en hebben daarmee invloed op het ontwerp van het gebouw. Naast bouwtechnische voorschriften bevat het Bouwbesluit 2012 ook een groot aantal voorschriften betreffende installaties en voorschriften betreffende het brandveilig gebruik van gebouwen en terreinen.

In het Bouwbesluit is voor alle gedefinieerde gebruiksfuncties vastgelegd welke minimale eisen er gelden. Voor een woongebouw gelden bijvoorbeeld andere eisen dan voor een kantoorgebouw.

In het Bouwbesluit worden twee soorten eisen onderscheiden: functionele eisen en prestatie-eisen. Elke bouwbesluitafdeling begint met de functionele eis (aansturingsartikel). Hierin is het doel beschreven dat is beoogd met de eisen in deze paragraaf. Een voorbeeld hiervan is artikel 2.101 lid 1(afdeling 2.12. Vluchtroutes). Dit artikellid bevat de volgende tekst “Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige vluchtroutes dat bij brand een veilige plaats kan worden bereikt”. De overige artikelen van deze afdeling zijn de prestatie-eisen. Dit is de concrete invulling van de prestaties die moeten leiden tot het doel dat in de functionele eis is beschreven. In het voorbeeld van afdeling 2.12. Vluchtroutes zijn dit bijvoorbeeld de eisen over hoeveel vluchtroutes noodzakelijk zijn en hoe lang een loopafstand mag zijn. Als aan deze prestatie-eisen wordt voldaan, is automatisch invulling gegeven aan de functionele eis en voldoet het gebouw op dit punt aan het Bouwbesluit.

Het is ook toegestaan om op een andere wijze invulling te geven aan de functionele eis. Een voorbeeld hiervan is een hoge ruimte waar rook minder snel voor hinder en gevaar zorgt en waar dus eenzelfde vluchtveiligheid met langere loopafstanden kan worden gerealiseerd. In dat geval moet met een beroep op gelijkwaardigheid worden gemotiveerd dat met een andere oplossing ook wordt voldaan aan de functionele eis. Deze gelijkwaardigheid moet vervolgens ter beoordeling worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook § 4.1

1.1.2 Verschillende kwaliteitsniveaus in het Bouwbesluit

1.1.2.1 Nieuwbouw en bestaande bouw

Het Bouwbesluit maakt onderscheid tussen eisen voor bestaande bouw en voor nieuwbouw. De eisen voor bestaande bouw zijn de minimale eisen waaraan elk gebouw in Nederland moet voldoen om te mogen worden gebruikt. Bij nieuw te bouwen gebouwen gelden de nieuwbouweisen die veelal strenger zijn. Dit maakt het mogelijk dat bij het veranderen / aanscherpen van eisen niet direct de gehele gebouwvoorraad in Nederland moet worden aangepast. Dit onderscheid wordt echter niet voor alle aspecten gemaakt. Voor bijvoorbeeld brandveiligheidsinstallaties zijn de eisen voor bestaande en voor nieuwe gebouwen gelijk. Uitgangspunt daarbij is dat de economische levensduur van een installatie dermate kort is dat het acceptabel is dat deze wordt vervangen of aangepast als de regelgeving verandert. Vaak is er dan wel sprake van een overgangsregeling van bijvoorbeeld een paar jaar.

1.1.2.2 Verbouw

Bij renovatie, verbouw en uitbreiding van een gebouw zijn in beginsel de nieuwbouwvoorschriften van kracht, tenzij in de betreffende afdeling van het Bouwbesluit onder het kopje ‘Verbouw’ iets anders staat aangegeven (wat bij de brandveiligheids-voorschriften meestal het geval is). In veel situaties wordt hierbij verwezen naar het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat de verbouwing er niet toe mag leiden dat de bestaande situatie voorafgaand aan de verbouwing verslechtert, mits deze tot stand is gekomen volgens de laatst verleende bouw-/omgevingsvergunning en de toenmalige bouwvoorschriften.

Uiteraard heeft het de voorkeur om zo dicht mogelijk de nieuwbouweisen te benaderen. Dit is zeker voor het aspect vluchten van belang, omdat hier een rechtstreekse koppeling aanwezig is met de veiligheid van personen. Bij de verbouw van gebouwen blijven de bestaande vluchtprincipes in het gebouw meestal ongewijzigd. In deze publicatie zal verbouw daarom niet heel expliciet aan de orde komen.

1.1.3 Herbestemming van gebouwen

Om de herbestemming van gebouwen mogelijk te maken, zijn de eisen voor herbestemming van gebouwen bij invoering van het Bouwbesluit 2012 drastisch verlaagd. Voor de invoering van het Bouwbesluit 2012 moest altijd aan de nieuwbouweisen worden voldaan en als dat niet mogelijk was, mocht ontheffing worden aangevraagd tot aan het minimale technische kwaliteitsniveau voor bestaande bouw. Bij invoering van het Bouwbesluit 2012 zijn meestal de minimale eisen voor bestaande bouw het uitgangspunt. Het daadwerkelijke eisenniveau van een bouwwerk bij herbestemming moet altijd per onderdeel (kwaliteitsaspect) worden bepaald. Elke kwaliteitsaspect voor een bouwwerk is in een paragraaf van het Bouwbesluit beschreven.

Om te bepalen wat de minimale eis is voor een specifiek onderdeel van een gebouw ga je als volgt te werk:

  1. Beschouw het gebouw, zoals het in bestaande staat verkeert, als een gebouw met de nieuwe gebruiksfunctie. Bijvoorbeeld een bestaand kantoorgebouw dat wordt herbestemd tot woningen, wordt in gedachten alvast als woongebouw beschouwd, zonder dat er ook nog maar iets aan is gedaan.
  2. Bekijk per onderdeel (lees: per kwaliteitsaspect zoals beschreven per paragraaf van het Bouwbesluit) of het gebouw voldoet aan de minimale vereiste bouwtechnische kwaliteit voor bestaande bouwwerken (niveau bestaande bouw). Dit is vastgelegd in de prestatie-eisen van het Bouwbesluit voor bestaande bouw.

1.1.3.1 Kwaliteitsniveau bij herbestemming

Als een onderdeel van het bestaande bouwwerk niet voldoet aan de minimale eisen voor bestaande bouw voor de nieuwe gebruiksfunctie, is de kwaliteit lager dan is toegestaan en moet er worden verbouwd om een hoger kwaliteitsniveau voor dat onderdeel te realiseren.

Zodra bepaald is dat een verbouwing noodzakelijk is, moet het kwaliteitsniveau worden bepaald waaraan moet worden voldaan. Dit is in veel gevallen vastgelegd in de paragraaf ‘Verbouw’ binnen een afdeling van het Bouwbesluit over een specifiek kwaliteitsaspect. Als er geen paragraaf ‘Verbouw’ is opgenomen in een specifieke afdeling van het Bouwbesluit, gelden de nieuwbouwvoorschriften bij verbouw.

Als er wel een paragraaf ‘Verbouw’ is opgenomen , kan niet altijd worden volstaan met een upgrade van het kwaliteitsniveau tot het niveau bestaande bouw (minimale technische kwaliteitsniveau voor gebruik van een gebouw). Vaak wordt het rechtens verkregen niveau bij verbouw als uitgangspunt gegeven. In dat geval mag het reeds bestaande kwaliteitsniveau voor een specifiek onderdeel niet slechter worden na verbouwing. Alleen als het bestaande niveau boven het nieuwbouwniveau zit, mag bij een verbouwing het kwaliteitsniveau tot het nieuwbouwniveau worden verlaagd. Soms wordt bij verbouw ook een specifieke eis genoemd.

1.1.3.2 Eisen voor vluchten bij herbestemming

De eisen voor het onderdeel veilig vluchten liggen vast in afdeling 2.12 van het Bouwbesluit. In deze afdeling gelden de zwaarste eisen voor nieuwbouw. Voor bestaande bouw gelden minder zware eisen en bij verbouw geldt het rechtens verkregen niveau. Praktisch gezien komt dit vrijwel altijd neer op het niveau bestaande bouw. Deze eisen zijn fors lager dan de eisen voor nieuwbouw, terwijl het risico voor de aanwezige personen uiteraard niet lager is. Het is daarom, zeker bij herbestemming, belangrijk om niet alleen maar uit te gaan van deze minimaal toegestane kwaliteit maar zoveel als mogelijk te streven naar een hoger kwaliteitsniveau. Voor het veilig vluchten uit gebouwen waarin niet geslapen wordt, zoals een kantoorgebouw, zijn de eisen voor veilig vluchten namelijk veel minder streng dan in een woongebouw waarin wel geslapen wordt. Bij herbestemming van een kantoorgebouw naar een woongebouw hoeft voor het veilig vluchten slechts te worden voldaan aan de minimale eisen voor bestaande bouw. Dat kan investeringstechnisch interessant zijn, maar ook risicovolle situaties opleveren voor de toekomstige bewoners. Je kunt met name denken aan situaties waarbij slechts één vluchtroute aanwezig is, waardoor er een risico is dat je in geval van brand in een ander appartement als een rat in de val zit. Bij herbestemming is dit een reële optie. Het is aan de opdrachtgever van het te herbestemmen gebouw om daar zijn eigen keuzes in te maken. De wetgever biedt hierin uitsluitend de minimale maatschappelijk aanvaardbare kaders waarin niet alleen veiligheid een rol speelt. Bepaal dus vooral, samen met de opdrachtgever, bewust wat je wel en geen aanvaardbaar kwaliteitsniveau vindt.

1.1.3.3

Op grond van artikel 13 van de Woningwet is het overigens voor het bevoegd gezag toegestaan om in bestaande gebouwen - als zij dit noodzakelijk acht - extra maatregelen te eisen die het niveau van de bouwvoorschriften bestaande bouw of verbouw overschrijden. Het is het bevoegd gezag echter nooit toegestaan om extra maatregelen te laten treffen die het veiligheidsniveau voor nieuwbouw overstijgen.

1.2 Gebruiksmelding, gebruiksvergunning en gebruiksvoorwaarden

In het Bouwbesluit zijn zowel eisen omtrent het brandveilig bouwen als het brandveilig gebruik opgenomen. Het eerste aspect betreft de brandveiligheid van het gebouw zelf, oftewel de brandwerende scheidingen, vluchtroutes, brandgedrag van bouwmaterialen etc. In de meeste gevallen moet voor het bouwen een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen worden aangevraagd. Als deze vergunning wordt verleend, moet het gebouw worden gebouwd volgens de vergunning en de eisen uit het Bouwbesluit.

Om het gebouw vervolgens voldoende veilig te kunnen gebruiken, zijn in het Bouwbesluiteisen omtrent het brandveilig gebruik opgenomen. Voor specifieke gebouwen en vormen van gebruik is meestal een gebruiksmelding of soms een omgevingsvergunning Brandveilig gebruik (v/h gebruiksvergunning) noodzakelijk. In situaties waarvoor geen melding of vergunning nodig is, moet uiteraard nog steeds worden voldaan aan de gebruikseisen die het Bouwbesluit stelt.

Ook stelt het Bouwbesluit als eis dat er in een gebouw, waarin een brandmeldinstallatie aanwezig is of waarvoor een gebruiksmelding of -vergunning vereist is, voldoende personen aanwezig zijn die kunnen zorgen voor een snelle ontruiming. In veel gevallen is dit bijvoorbeeld de bedrijfshulpverlening (BHV-organisatie). Deze is geïnstrueerd om in geval van een brandmelding de ontruiming te begeleiden. Met name wanneer er verminderd zelfredzame personen in een gebouw aanwezig zijn, wordt het belang van een goede BHV-organisatie groter. Zij moet dan namelijk in staat zijn om deze verminderd zelfredzame personen voldoende snel in veiligheid te brengen. Dit betekent dat de voorzieningen hiervoor goed moeten zijn afgestemd op de mogelijkheden van de BHV-organisatie.

1.2.1 Omgevingsvergunning brandveilig gebruik

Een omgevingsvergunning brandveilig gebruik is volgens het Besluit omgevingsrecht (Bor) noodzakelijk als sprake is van de volgende situaties:

  • gebouwen waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen1;
  • gebouwen waarin dagverblijf zal worden verschaft aan meer dan tien kinderen (jonger dan 12 jaar) of meer dan tien lichamelijk of verstandelijk gehandicapte personen.

Het is op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) verboden dit soort gebouwen in gebruik te nemen (of te blijven gebruiken) zonder een goedgekeurde omgevingsvergunning of op een manier te gebruiken die afwijkt van de voorwaarden in deze vergunning. De omgevingsvergunning kan voorwaarden stellen aan het maximaal toelaatbare aantal personen (gebruikers, bezoekers) in een gebouw of een deel ervan. Deze zijn voor oudere projecten waarvoor op grond van het Bouwbesluit 2003 een omgevingsvergunning is verleend, afgeleid van de specifieke uitgangspunten waarop het gebouwontwerp is gebaseerd (bezettingsgraadklasse in relatie tot vloeroppervlakte) en die de grondslag vormen voor de afgegeven omgevingsvergunning. Daarnaast kunnen gemeenten in de omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruik nadere (gebruiks)voorwaarden stellen aan zaken die voor een brandveilig gebruik noodzakelijk zijn. Er mogen in de omgevingsvergunning brandveilig gebruik geen bouwkundige eisen aan een gebouw worden gesteld. Voor gebouwen die onder de werkingssfeer van een omgevingsvergunning vallen, is het zinvol om tijdens het ontwerp ook aandacht te schenken aan de specifieke voorwaarden die eventueel met de vergunning kunnen samenhangen. Is een omgevingsvergunning brandveilig gebruik afgegeven, dan zal er regelmatig gecontroleerd worden (gemeentelijke handhaving) of nog steeds aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan. Met andere woorden: of het gebruik in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning.

Een gemeente is echter bevoegd om in de gemeentelijke bouwverordening een andere grenswaarde te stellen dan 10 personen waaraan nachtverblijf wordt verschaft. Uiteraard geldt deze aangepaste grenswaarde dan voor alle projecten in een gemeente.

1.2.2 Melding brandveilig gebruik

Voor een groot aantal soorten gebouwen of vormen van gebruik is geen omgevingsvergunning nodig, maar kan worden volstaan met een gebruiksmelding.

In artikel 1.18 van het Bouwbesluit is aangegeven wanneer een gebruiksmelding noodzakelijk is. Dit is noodzakelijk als sprake is van één van onderstaande situaties:

  • bij een beroep op gelijkwaardigheid op het gebied van installaties of gebruik (hoofdstuk 6 of 7 van het Bouwbesluit);
  • wanneer meer dan 50 personen tegelijk in een bouwwerk aanwezig kunnen zijn;
  • bij een woonfunctie voor kamergewijze verhuur.

Met de gebruiksmelding wordt de gemeente geïnformeerd (uiterlijk vier weken van tevoren) over het voorgenomen gebruik van een bouwwerk. De gemeente kan op basis van deze melding zo nodig beslissen om zelf ter plaatse te gaan controleren of het voorgenomen gebruik daadwerkelijk aan de voorschriften van het Bouwbesluit voldoet. De gemeente is echter niet verplicht om te controleren. Overigens kan de controle ook na het in gebruik nemen van het gebouw plaatsvinden.

Naast de specifieke voorwaarden die in een vergunning zijn opgenomen, of de voorwaarden die aan een gebruiksmelding gekoppeld zijn, gelden voor alle gebouwen (en bouwwerken) de eisen voor brandveilig gebruik van het Bouwbesluit. Dit betekent onder meer dat de eigenaar / gebruiker verplicht is de diverse brandveiligheidsinstallaties voldoende te onderhouden zodat de werking van deze installaties voldoende geborgd wordt. Dit is geregeld via artikel 1.16van het Bouwbesluit over de zorgplicht. Daarnaast geldt, in het kader van de Algemene wet bestuursrecht, een informatieplicht. Met bijvoorbeeld een logboek waarin onder meer de onderhouds- en inspectieverslagen zijn vastgelegd, kan aan deze informatieplicht worden voldaan.

1.3 Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet)

De Arbowet richt zich specifiek op de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van werknemers. Het aspect brandveiligheid komt aan de orde bij het te voeren veiligheidsbeleid waaraan de ondernemer expliciet aandacht moet geven.

De letterlijke wettekst is voor de ontwerppraktijk niet direct relevant, maar de (bouw)technische regelingen die op grond van de wet in een uitvoeringsbesluit zijn vastgelegd zijn wel direct relevant. Het gaat dan om het Arbeidsomstandighedenbesluit (kortweg: Arbobesluit). Daarin zijn sectorgerichte uitvoeringsbesluiten, zoals de diverse Veiligheidsbesluiten en het Arbeidsomstandighedenbesluit Arbeidsplaatsen, opgenomen. In het Arbeidsomstandighedenbesluit worden aanwijzingen gegeven over de manier waarop aandacht gegeven moet worden aan brandveiligheid. Zo wordt er voorgeschreven welke noodvoorzieningen er moeten zijn bij de inrichting van arbeidsplaatsen. Hierin worden onder meer niet-bouwkundige eisen gesteld aan:

Er is naar gestreefd het Bouwbesluit en Arbobesluit zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het specifieke van de Arbowetgeving (BHV-organisatie en -plan) is aanvullend ten opzichte van de technische bouwregelgeving.

Om de globaal geformuleerde voorschriften beter te kunnen interpreteren, zijn er Arbobeleidsregels opgesteld. Daarin is bepaald hoe de arbeidsinspectie hiermee, bij het beoordelen van praktijksituaties, moet omgaan. In het kader van voorlichting is een reeks Arbo-informatiebladen (AI-bladen) uitgegeven. Daarin is voor diverse onderwerpen op een gedetailleerde wijze aangegeven hoe er kan worden voldaan aan de gestelde eisen. AI-bladen fungeren als voorlichtingsmateriaal en hebben geen wettelijke status.

De technische eisen die op grond van de Arbo-wet zijn gegeven, zijn hoofdzakelijk opgesteld vanuit de optiek van veiligheid voor werknemers. Mede hierdoor komt het voor dat ze op bepaalde punten niet geheel stroken met de eisen die in het kader van de bouwregelgeving zijn gesteld. Soms is dit het gevolg van een andere formulering, soms van andere eisen.

Zolang beide wetten naast elkaar bestaan moet aan beide voldaan worden. Dit kan dus in de praktijk tot problemen leiden. Een deskundige en integrale aanpak vanaf het begin is dan cruciaal om niet later in een vervelende (handhavings)situatie terecht te komen want “wat er staat dat staat er en moet aan voldaan zijn”. De jurisprudentie is hier ook zeer eenduidig over.

1.4 Privaatrechtelijke bepalingen

1.4.1 Verzekeringen

Brandverzekeraars stellen soms voorwaarden waaraan bij de bouw of in het gebruik moet worden voldaan. Deze kunnen van invloed zijn op de verzekeringspremie en de polisvoorwaarden, zoals het eigen risico, uitsluitingen, beperkingen etc. Er mag daarbij niet worden afgeweken van de eisen van de wetgever.
De prioriteit voor de overheid ligt uitsluitend bij de doelstellingen: het beperken van (persoonlijke) ongevallen en het beheersbaar houden van brand zodat die niet kan uitbreiden naar een belendend perceel. Verzekeraars richten zich daarentegen vooral op het voorkomen en beperken van materiële schade als gevolg van brand. In het algemeen zullen verzekeraars zich richten op zowel de gebouwen met goederen en inventaris, als op de continuïteit van de organisatie van de verzekerde.
De brandverzekeringspremie is onder meer afhankelijk van de gebouwcategorie en de specifieke bestemming. Daarnaast wegen de brandveiligheidsmaatregelen (bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch) die genomen moeten worden mee. Wat betreft de actieve brandveiligheidsmaatregelen spelen installaties voor detectie, alarmering en vroegtijdige bestrijding van brand en maatregelen ter beperking van de gevolgschade een belangrijke rol. Ook inbraakdetectie kan hierbij een rol spelen in verband met het risico van brandstichting.
In tegenstelling tot de eisen van de overheid kunnen de voorwaarden van verzekeraars worden afgewogen door de kosten (het investeren in voorzieningen), besparingen (minder premie) en de risico’s die men loopt, tegen elkaar af te zetten.

1.4.2 Relatie eigenaar-gebruiker

De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de (brand)veiligheid. Als een gebouweigenaar een bestaand gebouw heeft gekocht en exploiteert is hij tegelijkertijd gebouwbeheerder. Maar ook de huurder heeft de positie van gebouwbeheerder. De eigenaar stelt een ontruimingsplan op. De gebouwbeheerder is voor de uitvoering daarvan, voor wat betreft zijn eigen organisatie/gebruiksdeel van het gebouw, verantwoordelijk.

Mede-eigenaren en medehuurders zijn er als het gebouw deel uitmaakt van een gebouwencomplex waardoor onderlinge afhankelijkheden kunnen ontstaan met betrekking tot de capaciteit, de organisatie en de logistiek van de ontruiming. Dit geldt ook als een gebouw bestaat uit gedeeltes die worden geëxploiteerd door mede-eigenaren of (mede)huurders. Overleg tussen betrokkenen is in dit soort situaties essentieel. De afspraken over veiligheid kunnen door de brandweer worden opgevraagd en beoordeeld. Brandveiligheidseisen die wél door de eigenaar geaccepteerd worden, maar door de gebruiker worden genegeerd, met voeten getreden of zelfs geëlimineerd (bijvoorbeeld het slopen van brandwerende scheidingsconstructies of de capaciteit van nooduitgangen beperken) maken van een veilig gebouw een onveilig gebouw. Ook de gebruiksdiscipline en de bekendheid met brandveiligheidsvoorzieningen bij het personeel worden vaak verwaarloosd door gebrek aan kennis en onzorgvuldig beheer. Het verwaarlozen van noodzakelijk onderhoud en periodieke inspecties van brandveiligheidsvoorzieningen kan tot gevaarlijke situaties leiden en daarom tot hoge claims van slachtoffers en beperkingen qua verzekerbaarheid.

1.4.3 Ambitieniveau opdrachtgever

Vaak worden de eisen van het Bouwbesluit gebruikt om te bepalen of er voldoende veilig kan worden gevlucht. Dit leidt echter niet altijd tot een optimale veilige situatie. Dit komt doordat de wetgever in het opstellen van de eisen meer aspecten dan uitsluitend de veiligheid in beschouwing neemt. Een bekend voorbeeld hiervan is een portieksituatie waarbij meerdere woningen door één trap worden ontsloten. Ook voor bestaande gebouwen en in geval van herbestemming resulteren de wettelijke eisen niet altijd in een optimale veiligheid. Een opdrachtgever zal zelf moeten bepalen in hoeverre het wenselijk is om een hoger veiligheidsniveau na te streven dan het wettelijk minimum. Overwegingen die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de doelgroep. Wanneer het bijvoorbeeld bekend is dat in een woongebouw veel oudere mensen wonen waarvan de kans reëel is dat zij moeite hebben met vluchten, dan is een portiekoplossing minder wenselijk dan in een gebouw waarin veel jonge mensen wonen. Ook in een situatie waarbij er veel verminderd zelfredzame personen in een gebouw wonen, is het verstandig om voorzieningen te treffen waardoor er gedurende langere tijd veilig kan worden gevlucht en waarbij bijvoorbeeld horizontale ontruiming naar een ander brandcompartiment mogelijk is.

Daarnaast is het ook voor potentiële kopers waarschijnlijk aantrekkelijker om te weten dat er veilig kan worden gevlucht.